22 september 2017

Verlichtingsnormen

De veiligheid op het sportveld is met name geborgd door goede verlichting. De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSvV) geeft advies voor juiste sportveldverlichting, zodat elke sporter de bal ziet aankomen en weet waar hij loopt.

Voor veilige sportveldverlichting zijn twee zaken van groot belang: de hoeveelheid licht en de gelijkmatigheid van het licht. Deze zijn vastgelegd in een Europese norm voor sportverlichting NEN-EN 12193, aangevuld met eisen vanuit de sportbonden. De cijfers voor de masthoogten en het aantal armaturen zijn richtlijnen.

Hoeveelheid licht
Voor verlichting op maat zijn sportvelden ingedeeld in drie categorieën: trainingsdoeleinden, clubcompetitiedoeleinden en topsportdoeleinden. Voor de verschillende in Nederland populaire sporten houdt dit het volgende in:

Opvallend is het zeer grote verschil tussen het benodigde licht bij een hockeytraining (200 lux) en een voetbaltraining (75 lux). Een hockeybal is veel kleiner en gaat veel sneller dan een voetbal, die bovendien veel groter is. Daarom is het vereiste verlichtingsniveau bij hockeytrainingen veel hoger dan bij voetbaltrainingen. Ook is het gevaar van een hockeybal groter en kan die eerder leiden tot blessures. Om ervoor te zorgen dat de bal zo goed mogelijk zichtbaar is, moet de verspreiding van het licht gelijkmatig verdeeld zijn en moeten de contouren van de bal goed afsteken.

Gelijkmatigheid van licht
De norm geeft ook aan hoe gelijkmatig de verlichting op het veld moet zijn. De gelijkmatigheid van de verlichting is een maat voor de verdeling van het licht over het veld. De gelijkmatigheid van de verlichting moet vooral hoog zijn in de tennis- en hockeysport. Voor de verlichting van tennisbanen beveelt de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSvV) aan om deze gelijkmatigheid alleen binnen de speelveldbelijning toe te passen. Op het gehele speelveld kan een gelijkmatigheid van minimaal Eh,min/Eh,gem = 0,4 worden gehanteerd.

Lees hier het hele artikel: